Posts

Oviedo

 Afwijkend is de lucht, haar kleur onherkenbaar hoge rijhuizen, gevels omrand met potlood de stad slingert, een decorstuk dat voorbijtrekt. Een straatventer roept en verkoopt ik-weet-niet-wat de kompasnaald draait door, mijn vingers slapen, zwellen op benen van leem stap ik verder, depersonaliseer. Ik wandel zonder draaiboek, merk niet dat ik onderweg mijn luttele schetsen verlies. De volgende hoek wenkt. gepubliceerd in 'De schaal van Digther', december 2020

Kinderen in het Louvre

Waar kijken die twee kinderen naar, door dit wagenwijde raam? Ze roepen naar beneden, hun lach weerkaatst echo’s tegen de koninklijke gevels. Geen ouders in de buurt, geen kwetsuren. Het meisje trotseert een galajurk, witte sokken, schuine hoed. Tippen van tenen in een pijnlijke kramp. Naast haar, boven de geboende parketvloer, plat op de buik op de hoge vensterbank schommelt de jongen. Voeten en vrijheid van de grond. De waaghals verliest geen evenwicht, geen kindertijd. Een schoenzool tikt de zoom van de rok aan, laat slinks een zwarte veeg achter. Windstoot. Met een klap waait een deur dicht. gepubliceerd in ‘De schaal van Digther’, december 2020

Zomer in Santander

De zee rolt hier aan zoals elke zee. Aan de vloedlijn de man in een rieten stoel. Hij komt uit de tijd van zwarte maatpakken, hemdsmouwen op het zand. Hij leest de krant. Het katern Buitenland: de wereld, de chaos, de president, het virus. Ze passen niet op dit strand, evenmin als de zwarte stropdas die de man nu wat losser trekt. Het papier ritselt, het kruiswoordraadsel, een zacht potlood lonkt. Ik teken een vierkant rond de man, kader hem in voor later als herinnering voor een mooiere zomer. gepubliceerd in 'Het Gezeefde Gedicht', oktober 2020

Puerta de Europa

Sleutel in het slot, de kieren in de voordeur ademen, na een wandeling in de stad op een verlaten zaterdag het ondergehuurde appartement baadt rustig en grijs in een twijfelachtig ochtendlicht, tussen zuchtende muren door het raam in de verte de twee schuine, wazige torens bevlekt door schreeuwende reclame van corrupte staatsbanken ze trekken er zich niets van aan, buigen naar elkaar toe in de eeuwigheid, een open, zuivere handkus tussen geliefden ik plof in de sofa en kijk naar het zwarte plasmascherm hoe het glas de lijnen van mijn gezicht en jas weerspiegelt roerloos bespied ik, in gedachten verzonken, mijn silhouet dat plots, abrupt, in een onherkenbare schim verdwijnt. gepubliceerd door Gruis (Obsidiaan), juli 2020

Greenwich Village

Na vele omzwervingen spoelden we ontheemd aan, betrokken een kamertje in één van de bruine zandstenen panden. Langs de met bomen omzoomde straten, onder de grote marmeren triomfboog, ontwortelden we. In clubs en bars leefden we donker, achtervolgd door onze demonen, in een poging de tijd te temmen, met onze hese stemmen. De onthechting als een koude winterjas over onze roots gedrapeerd. Huiselijk werd het nooit, we hielden de sleur veraf. We hadden geen heimwee, keukenrobots, merkkleren. Bij de eerste ochtendstralen, bij sloten koffie schreven we gedichten die er niet toe deden. gepubliceerd in ‘Het Gezeefde Gedicht’, juni 2020

Plaza de Cibeles

we voelden aan het marmer van een Romeinse godin we bespiedden elkaars gebaren, stralend, raakten verstrengeld aan de fontein jouw thuis was een portaal, een bel op de tast vond ik steeds de weg langs geparkeerde auto’s en onze koffiebar Mijn nachten dreven ons uit elkaar jaren nadien keerde ik terug naar het plein ik wist wat ik zocht, het wende nooit gepubliceerd in ‘De schaal van Digther’, mei 2020

De dagen

Mijn dagen ijsberen in kamers, waren rond ze schurken tegen me aan als een meedogenloze vrouw, zijgen neer met een droge keel, een fluistering vervliegt schor, als waren het de dagen zelf die verdwenen Een aardbol wentelt zich volleerd rond zijn as mijn dagen hebben soms een seconde meer, een seconde minder, stijlvol vacuüm verpakt zelfzuchtig redden ze steeds zichzelf. gepubliceerd op 'Coronagedicht.nl', april 2020